Marijn Heestermans:
Marijn Heestermans: "We hadden toen nog geen idee wat er verderop in het dorp afspeelde." (Foto: Mirjam Terhoeve)

“Het ging zo tekeer buiten, het leek alsof de wereld verging”

Watersnoodramp 1.745 keer gelezen

OUDE-TONGE - Op zaterdag 31 januari 1953 bracht de toen 17-jarige Marijn Heestermans, samen met zijn vader, die bakker was, brood rond in het buitengebied van Oude-Tonge. Het waaide enorm hard en hier en daar waren al ruiten uit huizen geblazen en vlogen er dakpannen in het rond. Dat deze storm zoveel gevolgen zou hebben, konden ze toen nog niet vermoeden.

Door Mirjam Terhoeve

“Op zaterdagochtend werd er gewoon gebakken”, vertelt Heestermans, “en daarna gingen mijn vader en ik zoals altijd brood rondbrengen in het buitengebied. Van Zuidzijde tot aan de Hoek van Sint Jaepe, waar Hen de Boet woonde met zijn grote gezin. Het waaide enorm hard en we zagen, dat er bij Hen al een ruit was gesneuveld. Na thuiskomst liep ik nog even naar mijn oma, die in de Kolfweg woonde. Onderweg vlogen de dakpannen al om mijn oren. Later die middag ben ik samen met mijn vader op de Kaai gaan kijken. Daar stonden enkele schippers, die zich ongerust maakten over de hoge waterstand in de Kaai. En het moest nog vloed worden. Wijzelf maakten ons toen nog niet zo ongerust en die avond gingen we gewoon naar bed.”

Was binnen halen

“Wij woonden op de Molendijk met een gezin met tien kinderen”, gaat hij verder. “Mijn moeder runde daar een kruidenierswinkeltje. Mijn vader had een bakkerij onderaan de Zuiddijk, die we via de achterkant van ons huis konden bereiken. ’s Nachts om vier uur werden we wakker van klokgelui. Opnieuw gingen mijn vader en ik naar de Kaai om polshoogte te nemen. Het zag er niet best uit en mijn vader opperde om snel de was binnen te halen, die mijn moeder altijd op zaterdagmiddag in de bakkerij te drogen hing. Terwijl we er naar toe liepen, zagen we dat er een gat sloeg in de Zuiddijk en dat het water de Molenpolder instroomde. Snel gingen we de bakkerij binnen, haalden de was weg en we hebben nog wat spullen hoog gezet. Wij dachten toen nog aan een waterstand zoals met de inundatie in de oorlog. Terwijl we bezig waren, kwam het water binnen al tot kniehoogte. Maar buiten stond het al tot aan de ramen. Daardoor kregen we de deur niet meer open. Met de houten broodschieter is het uiteindelijk gelukt en zijn we snel door het water naar de achterkant van ons huis aan de Molendijk gelopen. Het ging zo tekeer buiten. Het leek alsof de wereld verging. We hadden toen nog geen idee, wat er verderop in het dorp afspeelde.”

Opvang

“Thuisgekomen zagen we dat er al water op de benedenverdieping stond”, vervolgt Heestermans. “Mijn moeder verkocht ook zeeppoeder en dat begon te schuimen door het water. Kort daarna hoorden we geroep om hulp en later bleek het molenaar Piet de Laat te zijn, die zich vastklampte aan de schoorsteen van de aanbouw. Hij kon worden gered. Zijn drie kinderen niet. Wat er allemaal gaande was, hoorden we in de loop van de nacht toen steeds meer mensen vanuit de Schoolstraat en de Nieuwstraat naar de huizen op de Molendijk kwamen vluchten. Op een gegeven moment hadden wij zo’n 60 mensen in huis. We zochten voor iedereen droge kleren op, tot er niks meer was. Die nacht hadden we nog gas en zodoende kon moeder ook nog een grote pan soep maken. De volgende ochtend ging dat niet meer. In de bakkerij stond het water inmiddels vier meter hoog. Samen met vader ben ik over drijfhout naar het dak gekropen. Daar een plaat weggehaald en zo konden we nog wat droog gebleven beschuit van de zolder pakken. Daarna was er niets meer te eten. Een paar dagen later zijn we geëvacueerd. Na drie weken keerden mijn vader en ik weer terug om te helpen.” (Tekst loopt door onder de foto)


De achterzijde van de huizen aan de Molendijk. Onderaan zijn de twee daken van de bakkerij te zien, die onderaan de Zuiddijk ligt (pijl). De loodsen erachter zijn allemaal vernield door het water.

Opnieuw beginnen

“Omdat mijn vader veel mensen kende werd hij gevraagd om slachtoffers te identificeren”, gaat Heestermans verder. “Ook ik ging een keer mee. Toen herkende ik een klasgenoot met wie ik goed kon opschieten. Dat greep mij enorm aan en ben daarna nooit meer meegegaan. De bakkerij was buiten gebruik, dus mijn vader hielp mee in de gaarkeuken. Brood werd door alle bakkers van het dorp gezamenlijk gebakken bij bakker Blaak op de Molendijk, waar het droog was gebleven. Dat ging in goede harmonie. Na enige tijd hebben we onze eigen bakkerij leeg kunnen pompen en gelukkig deed een deel van de ovens het nog. Wel heeft mijn vader een nieuwe kleinere oven aangeschaft. Ja een kleinere, want we waren een groot deel van de klanten verloren. Zoals het gezin van Hen de Boet. Ze zijn, behalve zoon Joas, die in die nacht niet thuis was, allemaal verdronken. Een van zijn dochtertjes spoelde als eerste aan. Ze lag tussen de twee daken van onze bakkerij.”

“De sfeer in het dorp was zo anders na de ramp”, zegt Heestermans tot slot. “Iedereen probeerde de draad weer op te pakken en er werd weinig over gepraat. Er heerste een heel andere mentaliteit. Het was ook moeilijk om aan personeel te komen. Mannen gingen liever werken aan het dijkherstel. Dat betaalde goed. In onze familie was er maar een dode te betreuren. Mijn oom Piet, broer van mijn moeder. Maar we misten heel veel mensen. Velen waren verdronken of niet meer teruggekeerd na de evacuatie. Ja, de ramp heeft een enorme impact gehad op het leven in Oude-Tonge.”

Dit artikel is gepubliceerd in de special ‘70 jaar na de Ramp’. Deze special is het resultaat van een samenwerking tussen de gemeente Goeree-Overflakkee, waterschap Hollandse Delta en Eilanden-Nieuws.

Uit de krant