Portret van Michiel Adriaanszoon de Ruyter door Ferdinand Bol.
Portret van Michiel Adriaanszoon de Ruyter door Ferdinand Bol.

De ‘Zeven Provinciën’ en Michiel de Ruyter in het Rampjaar 1672

Algemeen 561 keer gelezen

GOEREE-OVERFLAKKEE - De regering radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos. Zo wordt de toestand gekenschetst die in 1672 ontstond na de oorlogsverklaring aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden door Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen. In dit artikel wordt een terugblik gegeven van de situatie waarin ons land en de eilanden Goeree en Overflakkee zich bevonden in dat jaar, nu 350 jaar geleden. Daarnaast aandacht voor Nederlands beroemdste zeeheld en zijn vlaggenschip, die tijdens de zeeslagen in derde Engelse oorlog een grote rol speelden.

Door Rinus van Dam

Oorlog is van alle tijden. Zoals nu de Oekraïne wordt belaagd door het veel grotere Rusland, werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de zeventiende eeuw geconfronteerd met een overmacht aan land en op zee. De machthebbers van Engeland en Frankrijk, daartoe bijgestaan door de Duitse ministaatjes Munster en Keulen, vonden het in 1672, nu dus 350 jaar geleden, nodig voorgoed met de Republiek af te rekenen. Voor de Engelsen was de Republiek een lastige concurrent op de wereldzeeën; de andere drie zagen mogelijkheden hun gebied ten koste van de Nederlanden uit te breiden.

Dat het volk redeloos was, blijkt uit de laffe moord die in augustus van dat eerste oorlogsjaar plaats vond op raadpensionaris Johan de Witt en zijn broer Cornelis.

De Duitse ministaatjes hadden al spoedig een deel van de oostelijke provincies bezet. Het grote Franse leger naderde vanuit het Rijnland en Gelderland de Oude Hollandse Waterlinie. Daar werden zij tegengehouden, maar in de daarop volgende winter van 1673 slaagden zij er in ter hoogte van de Oude Rijn bij Woerden over het ijs de Hollandse Waterlinie over te steken. Daarbij kwamen zij tot in Zwammerdam en Bodegraven, waar zij gruwelijk huishielden onder de bevolking. Bij het invallen van de dooi moest het Franse leger zich echter terugtrekken. Daarna was het gevaar van verovering van het Westen over land geweken. Pas bij de Vrede van Westminster in februari 1674 zouden de vijandelijkheden tussen Engeland en de Republiek worden beëindigd. De legers van Munster en Keulen hadden zich inmiddels al teruggetrokken en de strijd met de Fransen had zich verplaatst naar de Zuidelijke Nederlanden (nu België).

Goeree en Overflakkee 

Voor Goeree en Overflakkee, toen nog twee aparte eilanden, kwam de dreiging vanuit de Noordzee. De Engelsen troffen vanuit de haven Yarmouth voorbereidingen voor een invasie van de Hollandse en Zeeuwse kust. Het belangrijkste wapen om zo’n invasie te voorkomen was de Nederlandse oorlogsvloot. De gecombineerde Engelse en Franse oorlogsvloot bestond uit meer en grotere schepen, maar die van de Republiek, onder bevel van de Nederlandse admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter, had het voordeel van een goed getrainde bemanning en bekendheid met de zandbanken voor de Nederlandse en Vlaamse kust.

In vier belangrijke zeeslagen: bij Solebay aan de Engelse oostkust, tweemaal op de vlakte van Schooneveld voor de Zeeuwse en Vlaamse kust, en ten slotte bij Kijkduin in Noord-Holland, wisten De Ruyter en zijn vloot in 1672 en 1673 de Engelsen te beletten een landing op de Hollandse en Zeeuwse kust uit te voeren. De Republiek was gered.


De ‘’Zeven Provinciën’ in een zeeslag, detail van een schilderij door Abraham Storck.

Hoewel op de eilanden Goeree en Overflakkee ook soldaten waren gestationeerd, hoefden die niet in actie te komen. Waarschijnlijk werd wel rekening gehouden met de noodzaak van inundatie. Bij Dirksland werd de uitwateringssluis in het jaar 1672 vervangen door een nieuwe, die bij een invasie zou kunnen dienen als inundatiesluis. Dat jaartal aan de binnenzijde en het familiewapen van de toenmalige dijkgraaf aan de zijde van het havenkanaal zijn enige jaren geleden gerestaureerd.

Het Goereese Gat en het Haringvliet, ter hoogte van Hellevoetsluis, moet in die tijd vol zijn geweest met oorlogsbodems die daar voor anker lagen en Hellevoetsluis als thuishaven hadden. Wat een ontzagwekkend gezicht moet dat geweest zijn voor de mensen op de duinen en stranden van Goeree en Voorne, al die oorlogsschepen met de wapperende driekleur op de achtersteven. De vloot bestond in principe uit grote linieschepen, kleinere, snelle fregatten en branders.

De ‘Zeven Provinciën’ 

Prominent tussen al deze oorlogsbodems was ’s lands oorlogsbodem de ‘Zeven Provinciën’, het vlaggenschip van Michiel Adriaanszoon de Ruyter. Het linieschip ‘Zeven Provinciën’ (1665-1694), ressorterend onder de admiraliteit van de Maze (Rotterdam), had een lengte van 46 meter, een breedte van 12 meter en was bewapend met 80 kanonnen. Het schip was bemand met ruim 450 matrozen en 48 tot 90 mariniers.

In het streekmuseum in Sommelsdijk bevindt zich een scheepsmodel van de ‘Zeven Provinciën’, het kroonjuweel van de expositie in de afdeling scheepvaart. Dit model, dat iets afwijkt van het origineel, is in de jaren vijftig van de vorige eeuw geschonken door de Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM), als eerbetoon aan de hardwerkende werfarbeiders van Flakkee, die in plaats van te staken zich onderscheidden als trouwe, harde werkers.

Michiel Adriaanszoon de Ruyter 

Michiel de Ruyter (1607-1676) wordt algemeen erkend als Nederlands belangrijkste vlootvoogd. Aan zijn bekwame leiding was het te danken dat De Engelse oorlogsvloot er niet in slaagde de Nederlandse te vernietigen en een landing op de Nederlandse kust te bewerkstelligen. De Franse oorlogsvloot speelde in deze derde Nederlands-Engelse zeeoorlog geen rol van betekenis. Als vijftienjarige begon de in Vlissingen geboren Michiel zijn carrière als jonge matroos, waarna hij alle rangen bij de koopvaardij en ‘s lands vloot, voorloper van de hedendaagse Koninklijke Marine, doorliep. Vanaf de Tweede Engelse oorlog (1665-1667) voerde hij als luitenant-admiraal het opperbevel over de Nederlandse oorlogsvloot, die was samengesteld uit eskaders met schepen van Amsterdam, Rotterdam (de Maze), Zeeland en Friesland. Hoewel later met nationale en internationale eretitels bekroond, heeft De Ruyter zijn eenvoudige afkomst nooit verloochend. Dit is tegenstelling tot zijn adellijke tegenstanders van de Engelse vloot. Het is van hem bekend dat hij zelf zijn hut schoonveegde en de kippen voerde die hij meenam aan boord. Een luitenant van de Engelse marine, die tijdens de slag bij Solebay was opgepikt door de ‘Zeven Provinciën’, merkte op: ‘Is dat een admiraal? Dat is een admiraal, een stuurman, een matroos en een soldaat. Ja, die man, die held, is dat alles tegelijk’.

Uit het scheepsjournaal van admiraal De Ruyter

Omtrent Goeree.

Den 4 mey, op dondach. Item den 4 smorgens met den dage gyngen wij onder seyl, wynt suydelijck met moey weder. Wij seylde tussen Goeree en de Quack (het duingebied ten westen van Hellevoetsluis) en quamen daer ten hanker. Ick deylde de seynboecken uyt. Ten 4 uren seylde wij voort tot dwars van de aven van Goeree. Ondertussen werden de andere capteynen gemonstert. En lagen soo met labbercoelte (zwakke wind), wynt oostlijck, al dyen nacht tot den 5 morgens.

Opvallend in dit en andere delen van zijn scheepsjournaal is het feit dat De Ruyter zijn Zeeuwse afkomst niet verloochent. Zo gaat het woord anker vooraf door de letter h, en laat hij deze letter weg bij het woord haven. Ook de dagen van de week krijgen een Zeeuws stempel. Zo schrijft hij elders in zijn scheepsjournaal dysendach voor dinsdag.

De Ruyter, bij zijn bemanning bekend als ‘Bestevaer’, was een diepgelovig mens. Zo schrijft hij op 24 september in zijn scheepsjournaal: ‘Godt sij gedanckt voor Sijn groote genade, dye Hij ons en ons vaderlant heeft bewesen desen jare en noch den vorderen tijt onses leven’.

Uit de krant