(Foto: Natuurmonumenten)
(Foto: Natuurmonumenten)

Het ree: de gracieuze wildernis dicht bij huis

Het ree is een bijzondere bewoner van Goeree-Overflakkee. Het belichaamt iets ogenschijnlijk tegenstrijdigs: echte wildernis op een klein, intensief bewoond eiland. In een landschap dat sterk door mensen wordt gebruikt voor landbouw, recreatie en infrastructuur leeft hier een van de meest gracieuze wilde zoogdieren van Nederland.

Door Anne Los, Natuurmonumenten
Foto's: Natuurmonumenten

Van de polders aan de oostkant tot in de duinen bij Ouddorp, reeën komen overal voor.
Dat was in de vorige eeuw nog anders. Toen leefden ze alleen op de Veluwe en in Zuid-Limburg. Doordat Nederland steeds bosrijker werd, breidde hun leefgebied zich uit. Inmiddels zijn ze verspreid over het hele land te vinden – en dus ook op Goeree-Overflakkee.

Van de drie inheemse hertensoorten in Nederland – het edelhert, het damhert en het ree – is alleen het ree een vrije bewoner van Goeree-Overflakkee. Achter hekken zijn soms ook damherten te zien.

Alleen een mannetje, de reebok, draagt een – eenvoudig – gewei. Dat bestaat meestal uit twee tot drie punten, de zogenoemde enden. Reebokken met vier tot vijf punten zijn uitzonderingen. Het gewei wordt ongeveer 25 centimeter lang. Elk jaar tussen oktober en januari groeit er weer een nieuw gewei en valt het oude gewei af. Hoe gezonder het dier, hoe beter de conditie van het gewei. 

De kans om een ree (met de mooie Latijnse naam Capreolus capreolus) te zien is het grootst in de vroege ochtend of de late avond. In de winter leven ze in groepen (een zogenoemde sprong). Omdat er minder beschutting is, zoeken ze veiligheid bij elkaar. In het voorjaar trekken ze zich weer afzonderlijk terug in een eigen leefgebied, in afwachting van de komst van de jongen.

Een bijzonder kenmerk van de ree is de verlengde draagtijd. Als enige evenhoevige kent dit dier een pauze tussen de paring in de zomer en de geboorte in het voorjaar. Tijdens de winter zit het embryo ingekapseld in de baarmoeder. Pas eind december, wanneer de dagen weer langer worden, begint het verder te groeien. Een slimme oplossing van moeder natuur, die ervoor zorgt dat ze niet in de koude winter worden geboren, maar in het voorjaar wanneer er meer beschutting, warmte en voedsel te vinden is. 

Meestal krijgt een reegeit twee jongen, soms één of drie, afhankelijk van de omstandigheden. Na de geboorte verstopt de moeder de kalfjes in hoog gras of onder het struikgewas. Ze kunnen nog niet vluchten en zijn volledig afhankelijk van hun moeder. De eerste dagen hebben ze zelfs geen geur, zodat roofdieren zoals vossen of loslopende honden hen niet kunnen opsporen. De moeder houdt haar jongen op afstand in de gaten en komt regelmatig terug om ze te zogen. Bij meerlingen doet ze dat zelfs op verschillende plekken. De bruin met witte stippen gevlekte vacht zorgt voor een goede camouflage, al biedt die geen bescherming tegen een maaimachine. Na een zoogperiode van zes tot tien weken komt er een eind aan de verzorging en moeten ze zichzelf zien te redden. De stippen verdwijnen langzaam en maken plaats voor een zandgele tot roodbruine zomervacht. Het kalf blijft een jaar bij de moeder, voordat het een eigen leefgebied zoekt, om een partner te vinden en zelf voor nageslacht te zorgen. 

In de zomer krijgen de hormonen de overhand en zijn de bokken actiever dan de rest van het jaar. Ze lopen letterlijk hun neus achterna; het vrouwtje scheidt een speciale geur af waarmee ze laat merken dat ze klaar is voor de paring. Ze geeft zich niet zomaar gewonnen; de mannetjes moeten flink moeite doen om haar te veroveren. Reeën maken daarbij wel veel minder lawaai dan hun soortgenoten, die flink burlen om indruk te maken, het is meer een ‘fiepgeluid’. Na een succesvolle bevruchting gaat de diapauze in en is het wachten tot de dagen weer gaan lengen. 

Zo leeft de ree, bijna onzichtbaar, tussen akkers, duinen en dorpen — stille wildernis op een eiland.

(Foto: Natuurmonumenten)
(Foto: Natuurmonumenten)
(Foto: Natuurmonumenten)
(Foto: Natuurmonumenten)