Ethiek: Dodenherdenking en onze verantwoordelijkheid

In de achterliggende week stonden we opnieuw stil bij 4 mei en 5 mei. Dodenherdenking en Bevrijdingsdag: twee dagen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het zijn momenten waarop ons land tot rust komt, de vlag halfstok hangt en de stilte spreekt. We herdenken hen die vielen, en we vieren dat ons vrijheid geschonken werd. Het is goed en nodig dat wij dat blijven doen. Want de jaren 1940-1945 vormen een diep ingrijpend keerpunt in onze nationale geschiedenis. En bovenal past ons dankbaarheid tegenover de Heere, Die ons uit de onderdrukking heeft verlost.

Maar rond de dodenherdenking dringen zich ook vragen op. Vragen die ons niet onberoerd laten en die wij niet mogen wegdrukken. Want de oorlog heeft een onmetelijk spoor van leed getrokken. In Rotterdam stierven mensen door honger. Elders werden mannen en vrouwen gefusilleerd. Velen werden weggevoerd naar Duitsland voor dwangarbeid, of naar concentratiekampen waar zij nooit meer terugkeerden.

En dan is er de onuitsprekelijke tragedie van het Joodse volk. Voor de oorlog leefden er ongeveer negen miljoen Joden in Europa. Zes miljoen van hen zijn systematisch vermoord. Ook uit ons eigen land zijn ruim honderdduizend Joodse medeburgers weggevoerd en omgebracht. Namen als Auschwitz, Sobibor en Majdanek staan voor een werkelijkheid die ons verstand te boven gaat. Mannen en vrouwen, kinderen, ouderen, zieken - niemand werd gespaard. Wie leest over de wegvoering van patiënten uit het Apeldoornse Bos (een GGZ-instelling), voelt de huivering en de walging in zich opkomen. Het is te verschrikkelijk voor woorden.

Juist daarom is het van het grootste belang dat wij blijven herdenken. De geschiedenis is geen dode letter, maar een levende stroom van gebeurtenissen. Wie zijn geschiedenis vergeet, loopt het gevaar haar te herhalen. En er is toch niemand die terug wil naar de duisternis van toen? Herdenken is niet alleen terugzien, maar ook leren. Leren dat de mens tot het diepste kwaad in staat is. En dat er maar weinig nodig is en het kwaad komt naar buiten.

Na Auschwitz hebben sommigen gezegd: “Hoe kan men nog in God geloven?” Maar misschien moeten wij de vraag omkeren: hoe kan men nog onvoorwaardelijk in de mens geloven? Want het waren mensen die deze gruwelen hebben aangericht. Niet alleen de nazi-top, maar ook talloze anderen die meewerkten: ambtenaren, politiemensen, verraders. Ook in Nederland werden Joden uit hun huizen gehaald door mensen van vlees en bloed. Dat is de pijnlijke werkelijkheid. Het laat het failliet van de menselijke natuur zien.

En dat maakt de actualiteit des te indringender. Want het is zorgwekkend dat Joodse mensen zich ook vandaag in Europa steeds minder veilig voelen. Berichten uit verschillende landen laten zien dat antisemitisme opnieuw toeneemt. Ook dichter bij huis zijn er signalen die ons verontrusten. Wanneer Joodse burgers zich genoodzaakt voelen hun identiteit te verbergen, dan moet dat ons diep raken. De geschiedenis leert hoe snel woorden kunnen verharden tot daden.

Dat vraagt om bezinning én om verantwoordelijkheid. Wij kunnen niet volstaan met herdenken alleen. Wij worden geroepen om waakzaam te zijn en om op te staan tegen haat en onrecht. Dat betekent ook dat wij ons verdiepen in wat er gebeurt, dat wij ons niet laten meeslepen door eenzijdige beeldvorming, en dat wij zorgvuldig omgaan met onze woorden.

Bovenal vraagt het dat wij een houding aannemen van bescherming en bewogenheid. Dat wij, in de geest van de Schrift, zoeken naar vrede voor Jeruzalem en naar het welzijn van het Joodse volk. Niet uit politieke overwegingen, maar vanuit een besef van geschiedenis en roeping. Wie ziet wat er gebeurd is, kan niet onverschillig blijven.

Dodenherdenking is dan meer dan een moment van stilte. Het is een spiegel. Een spiegel die ons laat zien wie de mens is - en Wie God is. En juist in dat licht wordt de oproep des te dringender: “Waakt en bidt.” Opdat wij niet opnieuw vallen in dezelfde duisternis.