De Heere is genadig
Lezen: Psalm 67
God zij ons genadig en zegene ons (Psalm 67:2a)
Psalm 67 is een kort maar krachtig lied, waarin de psalmist vraagt om Gods zegen. Niet alleen voor Israël, maar voor alle volken. Het begint met de woorden: "God zij ons genadig en zegene ons." Deze bede is vol vertrouwen, vol verlangen naar Gods nabijheid en leiding.
De dichter vraagt om genade en dat is opvallend. Hetgeen we het meest nodig hebben komt er bij deze dichter het eerst uit. Laten we zelf eens nagaan wat er bij ons als eerste boven komt drijven. Nee, een mens vraagt van nature niet eerst om genade. Je zou verwachten dat de volgorde anders zou zijn: eerst zegen en dan genade. Wij zoeken eerst alle dingen die voor het leven nodig zijn en dan hopen we straks ook nog genade te ontvangen. Is het niet zo? Dat is bij deze dichter anders. Hij wenst vóór alle dingen genade. Dat tekent deze dichter. Wie heeft immers genade nodig? Dat is iemand die schuld heeft, een schuld die hij niet kan betalen. Dat is ook iemand die zijn schuld en zijn zonde heeft leren kennen.
Het is als het ware of we hier ook de tollenaar horen bidden: O God, wees mij zondaar genadig. Die man stond achter in de tempel en durfde zijn ogen niet op te heffen naar de hemel. Dat gebed was een bewijs dat die man al genade was gegeven, want wie bidt om genade? Wie bidt echt om genade? Alleen een begenadigde.
De dichter vraagt als tweede om een zegen. Hier gaat het vooral over de onderhouding van het tijdelijke leven. Het gaat om Gods zegen in alles, om alles uit Zijn hand in Zijn gunst te mogen ontvangen. Om een zegen vragen is nog iets anders dan om voorspoed vragen. Tegenspoed wil er bij ons niet in, maar tegenspoed kan ook een zegen zijn.
Maar de psalmist bidt ook om de bekering van de heidenen: "Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil." Hij zegt met andere woorden: Heere, ik bid U niet alleen dat U óns genadig zult zijn en ons zult zegenen, maar dat U de gehele mensheid genadig zult zijn, opdat Uw Koninkrijk kome en opdat Uw weg op de aarde gekend mag worden. Hij wenst niet alleen de Joden, maar ook de heidenen, ook ons dat we zullen weten wat God van de mens eist. In het onderhouden van Gods geboden is immers groot loon.