Vervolgverhaal - De brug naar het eiland (79)

Als kind al ving ze spinnen om ze buiten vrij te laten in plaats van ze dood te meppen zoals de meeste mensen doen. Ze is rad van tong, dat geef ik toe, en spreekt vaak zonder nadenken, maar dat toont slechts aan dat het niet in haar aard ligt om te huichelen.
Nee, ze kon niet altijd goed opschieten met oom Percy. Maar ze mocht hem liever dan ik. Hij was tenslotte haar wettelijke voogd en ze hebben lange tijd samen in Londen doorgebracht.
Ja, hij irriteerde haar als hij haar verzoek om het een of andere hebbeding weigerde, maar welk jong meisje vindt het prettig om iets geweigerd te worden? Als haar ouders nog geleefd hadden, was ze er ook niet blij mee geweest als ze niet alles goed hadden gevonden wat ze zich in haar hoofd haalde.’

Juffrouw Wilder zweeg even om op adem te komen en vervolgde toen: ‘Als iemand iets tegen Percival Norris had, dan was ik het. Want het was mijn eiland dat hij bedreigde met zijn praatjes over scheepswerven, botenbouwers, huurcontracten en winst maken. Weet u nog dat ik hem die boze brief heb gestuurd?'
Het verbaasde Benjamin dat ze daar zelf over begon. Ze moest wel radeloos zijn om haar nichtje te beschermen. ‘Ik heb de brief niet zelf gelezen, maar meneer Hardy heeft me erover verteld.'
‘Dan heeft hij u waarschijnlijk verteld wat ik heb geschreven.'
Benjamin hield een slag om de arm. ‘Niet tot in details. Maar wel dat de brief dreigend van aard was.'
‘Ik was van streek. Ik schreef dat hij moest ophouden, anders zou ik zelf een advocaat in de arm nemen en hem als beheerder laten ontzetten. Het was waarschijnlijk een dom dreigement, want Percival had eens laten doorschemeren dat, als ik iets dergelijks probeerde, hij zou getuigen dat ik niet goed bij mijn verstand was en niet in staat mijn eigen zaken te beheren.’
‘Op welke grond?’
Ze lachte vreugdeloos. ‘Op grond van het feit dat ik geweigerd heb dit eiland om welke reden dan ook te verlaten.’
‘Iemand die afgezonderd leeft, is niet meteen krankzinnig.’
‘Hij noemde het vrouwelijke hysterie.’ Juffrouw Wilder begon door de kamer te ijsberen. ‘Ik moest iets doen. Ik vond het verschrikkelijk om me zo machteloos te voelen over mijn eigen huis. Mijn eigen lot.’
Was ze krankzinnig? Leed ze aan hysterie? Benjamin dacht van niet, maar hij was geen deskundige. En gezien zijn eigen aanvallen van draaiduizeligheid was hij niet in een positie om te oordelen. ‘Een rechtszaak zou eindeloos duren, publiekelijk beschamend zijn en duur. U begrijpt waarom iemand zou denken dat u het makkelijker vond om hem te doden.’
Ze keek hem met open mond aan en schudde langzaam haar hoofd. ‘U verbaast me. In wat voor wereld leeft u waarin iemand vermoorden een makkelijker optie is? Ieder leven is kostbaar, zelfs dat van iemand die we niet mogen. Ik zou het nooit kunnen doen.’
Om haar te beproeven vroeg hij: ‘Wilt u me de wijnkelder laten zien?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde ze zonder een spoor van angst. ‘Wanneer u maar wilt.’
Hij trommelde met zijn vingers op het bureau en veranderde van tactiek.