Ethiek: Kerk en samenleving
Er is in onze huidige samenleving veel gaande. Wie de ontwikkeling van de afgelopen decennia overziet, kan niet anders dan constateren dat de plaats van de kerk ingrijpend is veranderd. Na de Tweede Wereldoorlog is de invloed van het christelijk geloof in het publieke leven geleidelijk afgenomen. Waar vroeger Bijbelse waarden en normen nog duidelijk doorklonken in het maatschappelijke en politieke handelen, lijkt dat vandaag nauwelijks nog het geval te zijn. In het huidige regeringsbeleid wordt zelden expliciet rekening gehouden met de Tien Geboden of met de normatieve lijnen van de Bijbel. De samenleving is in sterke mate geseculariseerd en individualistisch geworden. Daarmee dringt de vraag zich op: welke plaats heeft de kerk nog in een cultuur die zich steeds meer losmaakt van haar christelijke wortels?
Tegelijk moeten we eerlijk erkennen dat wij nog altijd in een vrij land leven. De vrijheid om naar de kerk te gaan, om de Bijbel te lezen en om ons geloof te belijden, is nog steeds gewaarborgd. Dat is een groot goed, dat niet vanzelfsprekend is en dat zorgvuldig bewaakt moet worden. Deze vrijheid geldt niet alleen voor christenen, maar ook voor mensen van andere religies of voor hen die geen geloof aanhangen. We spreken in dit verband over godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid. Dat betekent dat ieder mens de ruimte heeft om naar zijn overtuiging te leven, binnen de kaders van de wet. Tegelijk roept dit vragen op over de grenzen van die vrijheid. De openbare ruimte is van ons allen en vraagt om terughoudendheid. Godsdienstvrijheid betekent dat men zijn geloof vrij mag uitoefenen, maar niet dat de publieke ruimte zonder meer het toneel wordt van religieuze manifestaties die anderen kunnen verdringen of onder druk zetten. Hier ligt een spanningsveld dat in onze tijd steeds zichtbaarder wordt.
Wanneer we iets verder terugkijken in de geschiedenis, zien we dat de verhouding tussen kerk en samenleving in ons land altijd in beweging is geweest. In de zestiende eeuw ontstond de Republiek mede in het kader van de strijd om godsdienstvrijheid. De rol van Willem van Oranje is daarbij van grote betekenis geweest. Onder zijn leiding kwam er ruimte voor het protestantse geloof, terwijl andere religies in zekere mate werden geduld. Lange tijd had het protestantisme een bevoorrechte positie in het openbare leven. Kerk en overheid waren nauw met elkaar verweven. Die situatie is echter geleidelijk veranderd. Vandaag de dag is Nederland in de meerderheid niet-christelijk en neemt het kerkbezoek sterk af. Slechts een klein deel van de bevolking bezoekt nog regelmatig een kerkdienst. Daarmee is ons land in feite een geseculariseerde samenleving geworden, waarin de overheid zich in toenemende mate neutraal opstelt ten opzichte van religie.
Wat betekent dit alles voor de roeping van de kerk? Er zijn verschillende stemmen die pleiten voor een sterkere maatschappelijke profilering, bijvoorbeeld door duidelijke standpunten in te nemen over ethische kwesties. Dat heeft zeker zijn plaats. De kerk mag en moet spreken over het begin en het einde van het leven, over gerechtigheid en barmhartigheid, en zij mag de overheid blijven wijzen op haar verantwoordelijkheid voor God. In het gebed wordt de overheid immers voortdurend aan de Heere opgedragen. Toch ligt de kern van de roeping van de kerk dieper. De belangrijkste taak van de kerk is en blijft de verkondiging van het Evangelie. In een wereld die vervreemd is van God, is de boodschap van verzoening door Jezus Christus onmisbaar. Waar het Woord klinkt, daar werkt de Heilige Geest. Daarom is het van het grootste belang dat er plaatsen blijven waar mensen samenkomen om te luisteren naar de boodschap van redding. “Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt”, dat blijft het hart van alles wat de kerk te zeggen heeft.
Juist in een seculiere samenleving krijgt deze verkondiging een bijzondere betekenis. Niet omdat de kerk haar invloed wil terugwinnen, maar omdat de nood van de mens dezelfde is gebleven. De mens van vandaag heeft evenzeer verlossing nodig als de mens van vroeger. Zonde en gebrokenheid zijn niet verdwenen met de ontkerkelijking. Daarom mag de kerk, in alle bescheidenheid en tegelijk met overtuiging, haar boodschap blijven brengen. En ondertussen mogen we dankbaar zijn voor de vrijheid die we nog hebben. Laten we die vrijheid niet vanzelfsprekend achten, maar haar gebruiken tot eer van God en tot welzijn van onze naaste. Want waar het evangelie klinkt, daar ligt de hoop, ook voor onze moderne samenleving.