Vervolgverhaal - De brug naar het eiland (72)

Isabelle en Carlota zaten naast elkaar op chaises longues in het boothuis, met de dubbele deuren wijd open voor de ochtendzon, die schitterde op het zacht kabbelende water van de Theems.
Op een tafeltje tussen hen in stond een blad met theespullen en een schaal muffins. Isabelle had ze zelf geroosterd en thee gezet. Ze hadden mevrouw Philpotts en de meeste bedienden een ochtend vrij gegeven. De wevers ook. Een bedaarde ochtend was een zeldzame luxe op Belle Island sinds ze de mandenhandel waren begonnen en Isabelle en Lotty hadden zich vast voorgenomen ervan te genieten.
De enige geluiden waren het kabbelende water, vogelgezang en nu en dan de kwaak van een eend.
‘Wat is het hier vredig,' prevelde Lotty.
‘Dat heb ik altijd gevonden.' Isabelle zuchtte. ‘Het feest is in elk geval goed verlopen.'
‘Ja. Uiterst… interessant.'
Ze voelde Lotty’s blik op zich gericht.
‘Is alles in orde? Het moet een schok voor u zijn geweest om Evan Curtis te zien.’
‘Ja. Maar het gaat wel.’
‘Mooi. Ik weet nog dat u me jaren geleden over hem vertelde, hoe die gemene Percival hem had weggestuurd.’
Isabelle knikte. ‘Ik was destijds boos op oom Percy, maar heel diep vanbinnen vond ik het ergens maar beter ook. Toch moet ik toegeven dat ik me vaak heb afgevraagd wat er gebeurd zou zijn als hij was gebleven.’
Carlota dronk thee. Enkele ogenblikken zaten de twee vrouwen in kameraadschappelijk zwijgen bij elkaar.
Toen draaide Isabelle haar hoofd om naar Carlota’s mooie, maar peinzende profiel te kijken. ‘Over blijven gesproken, ik vind het ongelooflijk dat jij hier nog steeds bij me bent. Ik ben er blij mee, begrijp me niet verkeerd. Maar toen je net op het eiland was, had ik nooit gedacht dat je zo lang zou blijven. Mis je Londen nooit? Het podium? Het applaus?’
De vrouw trok lusteloos een schouder op. ‘Soms. Het leven hier is nogal rustig en saai.’ Ze schonk Isabelle een ironisch lachje.
‘Althans tot recente bezoekers de boel kwamen verlevendigen.’
Isabelle glimlachte terug. ‘Inderdaad.’ Ze vroeg zich af of haar vriendin in het algemeen sprak of dat één bezoeker in het bijzonder haar interesse had gewekt. ‘Je zult het wel missen om bewonderaars te hebben, verstopt als je hier bent.’
Weer haalde ze haar schouders op. ‘Ik mis weinig van dat leven. Die graaiende, veeleisende mannen. De druk. De verwachtingen. Ja, ik mis de bewondering, het onschuldige flirtpartijtje, die eerste vonk van aantrekkingskracht…’ Ze staarde in de verte met een dromerige blik op haar gezicht.
Toen vroeg Lotty haar hetzelfde. ‘En verlangt u naar een bewonderaar? U schijnt er op het moment twee te hebben.’
Isabelle trok een wenkbrauw op. ‘Wie bedoel je?’
‘Meneer Booker en kapitein Curtis.’
‘Meneer Booker? Je noemt hem wel, maar dokter Grant niet? Dat zouden de meeste mensen wel doen, hoor.’
Lotty wuifde het weg. ‘Hem tel ik niet mee.'