Afbeelding

Column: “Maar is het dan officieel vastgesteld?”

De dag na de geboorte van onze dochter kregen we – achteraf gezien – al de eerste opmerkingen in het ziekenhuis. “Wat kijkt ze wijs de wereld in.” “Wat is ze waakzaam en alert.” Als kersverse ouders wisten wij niet beter dan dat dit normaal was.

Na negen maanden sprak ze al meerdere woorden. Met twee jaar sprak ze volledige volzinnen. Haar leeftijdsgenoten op de peuterschool deden dat niet, en daarmee was de eerste frustratie geboren. Thuis kreeg ze woedeaanvallen, vooral op schooldagen. Terwijl ze ‘school’ juist heel leuk vond. Na een gesprek met een ib’er bleek dat ze een ontwikkelingsvoorsprong had. “O”, dacht ik nog, “dat trekt wel weer bij.” Alsof het een griepje was dat vanzelf overgaat. Maar het trok niet bij.
Toen ze drie was, las ze haar eerste woordjes en al snel volgden simpele zinnen. Op de peuterschool werd het onhoudbaar en gelukkig mocht ze met 3,5 jaar drie keer per week een halve dag naar de basisschool. Halverwege groep één zagen we geen gelukkig kind. Een kind dat zich aanpaste aan het lagere niveau dat werd aangeboden - iets wat vaker voorkomt bij hoogbegaafde kinderen. Thuis werden frustratie en woede groter dan ooit. Benoemen waarom ze zo boos was, kon ze niet.
Na een bezoek van een hoogbegaafdheidsexpert werd ze direct doorgeplaatst naar groep twee en twee maanden later ging ze mee naar groep drie. Het brandje was geblust, maar slechts tijdelijk. Ze bleef steeds verder voorlopen.

“Maar is het dan officieel vastgesteld?” Het is een vraag die ik vaak krijg. Begrijpelijk ook. We zijn gewend geraakt aan diagnoses. Aan labels die verklaren waarom iets lastig loopt en die meteen richting geven: dit is het, hier hoort dit bij. Hoogbegaafdheid past niet in dat systeem. Het is geen stoornis, geen afwijking en geen medische diagnose. Juist dat maakt het ingewikkeld. Zonder diagnose is er minder vanzelfsprekend begrip en blijven deuren gesloten die wel open zouden moeten zijn. Alsof er dan geen probleem mág zijn.

Ik vond het niet belangrijk om het zwart op wit te hebben of haar IQ te kennen, te labelen. Daarom wilde ik niet testen. Op dringend advies werd ze op haar zesde toch getest.
En dan is daar toch het woord: hoogbegaafd. Het label. Toch een opluchting, omdat erkenning helpt bij het begrijpen van anders-zijn. Omdat het deuren opent naar passende ondersteuning en gedrag ineens context krijgt. Maar het is ook het begin van een nieuwe zoektocht - naar soms het onmogelijke. Want een standaardaanpak bestaat niet.
Misschien wordt hoogbegaafdheid daarom zo vaak onderschat: het is geen ‘diagnose’ die iets oplost, maar een realiteit die vraagt om maatwerk, nuance en voortdurende afstemming. Hoogbegaafdheid is geen label dat je opplakt, maar een brein dat anders functioneert. Een neurodivers brein dat sneller schakelt, dieper nadenkt, intenser voelt en soms overweldigd raakt door prikkels of emoties. Dat betekent niet dat er iets mis is. Het betekent dat de wereld niet altijd aansluit bij de manier waarop dit brein werkt.
En juist daarom moeten we erover blijven praten. Niet om te labelen of te diagnosticeren, maar om te begrijpen.

Elke maand schrijft Saskia over hoogbegaafdheid en hoogbegaafd ouderschap, niet als klaagzang, maar als eerlijk verhaal. Ze neemt je mee in haar zoektocht: de hoogtepunten, de uitdagingen en alles daartussenin.