
Column: Als je haar maar goed zit
Mijn twee pubers hechten veel waarde aan hun kapsel. Een 'bad hair day' is dan ook een regelrechte ramp en een zwaarwegende reden om niet in het openbaar te verschijnen. Vooral als je het eerste uur op school moet zijn en toch al niet zo veel tijd meer over hebt. "Waarom heb ik daar dan ook een kruin zitten?", verzucht één van hen, met zijn hoofd half onder de kraan. "Het blijft alle kanten op springen." Hij heeft zijn haar het liefst strak in de vouw, vastgeplakt met handenvol gel die verdacht veel wegheeft van eersteklas secondelijm. Zijn broer daarentegen heeft liever een wat rommelige coupe, met name aan de voorkant. Lekker nonchalant over zijn voorhoofd en vooral niet al te veel plakspul erin. Het kan verkeren, denk ik soms als ik ze voor de spiegel zie staan. In hun kleutertijd hing de vlag er nog heel anders bij. Toen was het hebben van een hip kapsel nog totaal geen issue. Het stond zelfs onderaan de lijst van belangrijke zaken in de wereld. De oudste probeerde hem meteen te peren zodra ik een kam door zijn haar wilde halen, met als gevolg dat het meestal alle kanten op stond. Alleen de kapper mocht aan zijn hoofd zitten, en dat was ook nog eens zo ontspannend dat mijn zoon begon te knikkebollen en zijn ogen spontaan dichtvielen. Zijn eigen spa-momentje. Mijn jongste zoon kon eveneens niet wakker blijven in de kappersstoel, maar dat had een heel andere reden. Bij mij op schoot gezeten, krijste hij zo hard dat hij van pure ellende uitgeput in slaap viel. Het voordeel daarvan was dat de kapper toch nog iets van zijn haar weg kon knippen. Wat dat betreft is er veel veranderd. Ik hoef niet meer mee naar de kapsalon en ik mag ze zelfs af en toe helpen als de nood aan de man is. "Mam, kun je het hier even vastplakken?" of "Zit het wel goed aan de voorkant?" Ik zie ze de tuin uit fietsen, de ene met een stormvast kapsel, de ander met een zorgvuldig gecreëerde rommelige look, klaar voor een nieuwe schooldag. Als je haar maar goed zit, dan komt de rest vanzelf.