Vervolgverhaal - De brug naar het eiland (69)

Ze waren elkaar toevallig tegengekomen in de buurt van de Old Bailey en Reuben had voorgesteld samen een biertje te gaan drinken.
In het café begon zijn broer: ‘Vader heeft trouwens een nieuwe leerling aangenomen.’
Benjamin had een grapje gemaakt: ‘Gaat hij nog een tiener trainen om de mensen een weekloon te ontfutselen voor een nutteloos wondermiddel van berenvet en gemalen mummie?’
Hij had het als een lolletje bedoeld, maar zijn broer had hem geërgerd aangekeken en afkeurend gezegd: ‘Dat is oneerlijk en onaardig, zelfs uit jouw mond. Onze vader is geen kwakzalver, zoals sommige anderen die ik zou kunnen noemen, dat weet je best.’
Benjamin had onverschilligheid voorgewend, maar de correctie van zijn broer had hem gestoken.
De herinnering vervaagde toen de woorden die Reuben had geschreven tot hem doordrongen. Vergiftigd… wijn in maag en arsenicum gedetecteerd.
Nu vond Ben het nog stommer van zichzelf dat hij nog maar net warme gedachten over juffrouw Wilder had gekoesterd. Hij bleef kennelijk de slechtste mensenkenner van de wereld wat aantrekkelijke vrouwen betreft. Zou hij het dan nooit leren?
Door woede gedreven ging Ben op zoek naar juffrouw Wilder.
Hij dacht dat ze in de ochtendkamer zou zijn, maar daar vond hij alleen Christopher Adair, die met verward haar alweer over The Times gebogen zat.
‘Goedemorgen, meneer Adair. U moet vroeg ontbeten hebben.’
De jongeman schudde zijn hoofd. ‘Ik kon vanochtend niets naar binnen krijgen. Ik heb gisteravond iets gegeten wat me niet goed is bekomen.’
Benjamin betwijfelde of het eten de schuldige was. Het was hem opgevallen dat Adair zijn glas vele malen had gevuld tijdens het feest.
‘Hebt u juffrouw Wilder vandaag al gezien?’
‘Even. Ze ging naar buiten met die getalenteerde gezelschapsdame van haar.’
‘Waarheen?’
‘Dat weet ik niet.’ De irritante jongeman keek niet eens op van zijn krant.
Gefrustreerd omdat het nieuws hem op de lippen brandde, richtte Benjamin zijn aandacht toen maar op meneer Adair. Hij besloot dat een indirecte aanpak wellicht het meest lonend zou zijn en begon: ‘Zou ik u dan een paar vragen mogen stellen?’
De handen die het dagblad vasthielden, werden wit van spanning.
‘U mag vragen wat u wilt. Het wil niet zeggen dat ik antwoord geef.’
‘Goed dan. Juffrouw Wilder vertelde dat u niet blij was met de voorwaarden van de huwelijksovereenkomst die meneer Norris voorstelde. Klopt dat?’
Adair haalde zijn schouders op. ‘Dat is geen geheim. Mijn ouders ook niet, noch hun raadsman.’
‘Zijn huwelijksovereenkomsten niet tamelijk gebruikelijk onder mensen van stand?’
‘Ja, maar niet zoals deze. Ik begrijp dat ze voor Rose willen zorgen, maar in deze voorwaarden werd het leeuwendeel gereserveerd voor haar speldengeld, weduwepensioen en toekomstige kinderen, zodat er bijna niets overbleef voor mijn familie.’